Ik ga.	I go.	nederlands-a2 08_gaan present_tense
Jij gaat.	You go.	nederlands-a2 08_gaan present_tense
Hij gaat.	He goes.	nederlands-a2 08_gaan present_tense
Wij gaan.	We go.	nederlands-a2 08_gaan present_tense
Jullie gaan.	You all go.	nederlands-a2 08_gaan present_tense
Zij gaan.	They go.	nederlands-a2 08_gaan present_tense
Ik ga naar huis.	I'm going home.	nederlands-a2 08_gaan example_sentences
Hoe gaat het?	How is it going? The standard 'how are you' in Dutch.	nederlands-a2 08_gaan example_sentences
Wij gingen naar Amsterdam.	We went to Amsterdam.	nederlands-a2 08_gaan example_sentences
Twee gezichten onder één kap.	Literally: two faces under one hood.	nederlands-a2 08_gaan brueghel_proverb
Pas op voor hem - twee gezichten onder één kap.	Watch out for him - he's two-faced.	nederlands-a2 08_gaan brueghel_proverb
