Ik ben.	I am.	nederlands-a2 01_zijn present_tense
Jij bent.	You are.	nederlands-a2 01_zijn present_tense
Hij is.	He is.	nederlands-a2 01_zijn present_tense
Wij zijn.	We are.	nederlands-a2 01_zijn present_tense
Jullie zijn.	You all are.	nederlands-a2 01_zijn present_tense
Zij zijn.	They are.	nederlands-a2 01_zijn present_tense
Morgen ben ik thuis.	Literally: tomorrow am I home.	nederlands-a2 01_zijn future_tense
Ik ben Nederlands aan het leren.	I am learning Dutch.	nederlands-a2 01_zijn example_sentences
Hij is in Amsterdam.	He is in Amsterdam.	nederlands-a2 01_zijn example_sentences
Wij waren gisteren bij vrienden.	We were at friends yesterday.	nederlands-a2 01_zijn example_sentences
Twee honden aan één been.	Literally: two dogs on one bone.	nederlands-a2 01_zijn brueghel_proverb
Met die twee bazen is het altijd twee honden aan één been.	With those two bosses, it's always two dogs on one bone.	nederlands-a2 01_zijn brueghel_proverb
